Overslaan en naar de inhoud gaan

DRaT – Development of the ravelling test

Rafeling is een vorm van vroegtijdige schade die bij verschillende soorten van asfaltverhardingen kan optreden. Omdat er diverse oorzaken voor het verdwijnen van steenslag uit de asfaltverharding zijn, is het moeilijk om het risico op rafeling van een asfaltmengsel in de ontwerpfase te bepalen. De Europese ontwerpnorm prCEN/TS 12697-50 Resistance to scuffing (voor de zogenoemde rafelingsproef) wil hiervoor een hulpmiddel aanreiken. De hoofddoelstelling van het DRaT-project was dan ook om de verschillende rafelingstoestellen die in het document prTS 12697-50 zijn beschreven, te evalueren en te vergelijken en op basis daarvan aanbevelingen te doen aan CEN/TC 227 voor de verdere ontwikkeling en verbetering van een Europese beproevingsmethode.

DRaT – Development of the ravelling test

Projectverloop

Dit Europees CEDR-project startte op 1 september 2015 voor een periode van twee jaar.

Het project omvatte vijf werkpakketten:

  • WP1: overzicht van kennis en in-situ gegevens over rafeling (leader: TRL);
  • WP2: proefstukbereiding (leader: BAM);
  • WP3: testprogramma (leader: OCW);
  • WP4: analyse (leader: TNO);
  • WP5: disseminatie en projectmanagement (leader: TRL).

Er werd beslist om drie verschillende soorten mengsels te testen (ZOA, SMA en BBTM). Van elk mengsel werden drie varianten beproefd:

  1. een referentiemengsel;
  2. hetzelfde mengsel verdicht bij een te lage temperatuur;
  3. hetzelfde mengsel met een verlaagd bindmiddelgehalte.

In het eerste werkpakket werden alle werkwijzen uitgebreid vergeleken om te komen tot een meer geharmoniseerde werkwijze voor alle toestellen. Daarnaast is een literatuurstudie uitgevoerd omtrent beschikbare gegevens van resultaten van rafelingstesten en rafeling op de weg. WP2 en WP3 zijn volgens de planning beëindigd en de rapporten zijn ingediend.

Het OCW was verantwoordelijk voor de coördinatie van de testen in de verschillende laboratoria en heeft zelf ook de proeven uitgevoerd met het OCW-toestel (type DSD). TNO heeft de statistische analyse van de resultaten in WP4 uitgevoerd.

Het project is eind 2017 beëindigd. TRL zorgt voor de coördinatie en voor de kennisverspreiding van de resultaten. De correlatie tussen de resultaten was onvoldoende eenduidig om te kunnen komen tot factoren die toelaten de resultaten van één toestel om te rekenen zodat deze ook gelden voor een ander toestel. Elk toestel was in staat om extreme mengsels te onderscheiden, maar het onderscheidingsvermogen was afhankelijk van het type mengsel (sommige toestellen zijn meer geschikt voor ZOA, andere voor BBTM, enz.). Er werden aanbevelingen geformuleerd voor verbeteringen van de proefmethode prTS 12697-50.

Rafeling is een vorm van vroegtijdige schade die bij verschillende soorten van asfaltverhardingen kan optreden. Omdat er diverse oorzaken voor het verdwijnen van steenslag uit de asfaltverharding zijn, is het moeilijk om het risico op rafeling van een asfaltmengsel in de ontwerpfase te bepalen. De Europese ontwerpnorm prCEN/TS 12697-50 Resistance to scuffing (voor de zogenoemde rafelingsproef) wil hiervoor een hulpmiddel aanreiken. De hoofddoelstelling van het DRaT-project was dan ook om de verschillende rafelingstoestellen die in het document prTS 12697-50 zijn beschreven, te evalueren en te vergelijken en op basis daarvan aanbevelingen te doen aan CEN/TC 227 voor de verdere ontwikkeling en verbetering van een Europese beproevingsmethode.

DRaT – Development of the ravelling test

Projectverloop

Dit Europees CEDR-project startte op 1 september 2015 voor een periode van twee jaar.

Het project omvatte vijf werkpakketten:

  • WP1: overzicht van kennis en in-situ gegevens over rafeling (leader: TRL);
  • WP2: proefstukbereiding (leader: BAM);
  • WP3: testprogramma (leader: OCW);
  • WP4: analyse (leader: TNO);
  • WP5: disseminatie en projectmanagement (leader: TRL).

Er werd beslist om drie verschillende soorten mengsels te testen (ZOA, SMA en BBTM). Van elk mengsel werden drie varianten beproefd:

  1. een referentiemengsel;
  2. hetzelfde mengsel verdicht bij een te lage temperatuur;
  3. hetzelfde mengsel met een verlaagd bindmiddelgehalte.

In het eerste werkpakket werden alle werkwijzen uitgebreid vergeleken om te komen tot een meer geharmoniseerde werkwijze voor alle toestellen. Daarnaast is een literatuurstudie uitgevoerd omtrent beschikbare gegevens van resultaten van rafelingstesten en rafeling op de weg. WP2 en WP3 zijn volgens de planning beëindigd en de rapporten zijn ingediend.

Het OCW was verantwoordelijk voor de coördinatie van de testen in de verschillende laboratoria en heeft zelf ook de proeven uitgevoerd met het OCW-toestel (type DSD). TNO heeft de statistische analyse van de resultaten in WP4 uitgevoerd.

Het project is eind 2017 beëindigd. TRL zorgt voor de coördinatie en voor de kennisverspreiding van de resultaten. De correlatie tussen de resultaten was onvoldoende eenduidig om te kunnen komen tot factoren die toelaten de resultaten van één toestel om te rekenen zodat deze ook gelden voor een ander toestel. Elk toestel was in staat om extreme mengsels te onderscheiden, maar het onderscheidingsvermogen was afhankelijk van het type mengsel (sommige toestellen zijn meer geschikt voor ZOA, andere voor BBTM, enz.). Er werden aanbevelingen geformuleerd voor verbeteringen van de proefmethode prTS 12697-50.