Overslaan en naar de inhoud gaan

Zuiveringseffectiviteit van percolatiewater in drainerende wegconstructies

Dat steeds meer bodems ondoorlatend worden gemaakt, is een grote zorg. Niet alleen verarmt dit de bodems en de biodiversiteit, maar vergroot het ook het gevaar voor overstromingen. Waterdoorlatende verhardingen zijn een van de middelen die worden voorgesteld om deze ontwikkeling tegen te gaan. In België zijn verhardingen van waterdoorlatende betonstraatstenen ontwikkeld om aan deze behoefte tegemoet te komen. Zulke bestratingen dragen bij aan optimaal waterbeheer, doordat ze in staat zijn een groot deel van het hemelwater tijdelijk op te slaan. De drainerende structuur laat het opgeslagen water dan direct doorsijpelen naar de ondergrond en vervolgens naar het grondwater, of voert het vertraagd af naar het rioolstelsel.

DPOD en DPODRAIN

De projecten voor collectief onderzoek DPOD (RC 2011) en DPODRAIN (RC 2014) zijn verricht om cijfergegevens te verkrijgen over de risico’s die aan lozing van koolwaterstoffen op waterdoorlatende bestratingen verbonden zijn, en de invloed en relevantie van inbrenging van micro-organismen op/voor het zuiverende effect van wegconstructies met zulke bestratingen na te gaan. Het onderzoek betrof niet alleen de inbrenging van micro-organismen in de drainerende structuur (met poreuze betonstraatstenen), maar ook het effect van de toepassing van een geotextiel (al of niet met micro-organismen gecombineerd). De verschillende proeven vonden meestal plaats op structuren in cilindervormige proefopstellingen met een diameter van 40 tot 60 cm. Ook op een bestaande waterdoorlatende parking werd een proef uitgevoerd. Er konden verschillende combinaties worden vergeleken, door met regelmatige tussentijden een verontreinigende stof (diesel) over het verhardingsoppervlak uit te gieten. De twee onderzoeksprojecten sloten naadloos op elkaar aan. DPOD was meer gericht op validering van het principe van zuivering met en zonder bacteriën, terwijl DPODRAIN meer de duurzaamheid van het zuiveringsprincipe en de evaluatie van structuurvarianten (toepassing van geotextielen en verschillende materialen) beoogde.

DPODRAIN

Aanbevelingen

Op grond van de onderzoeksresultaten zijn voor de toepassing van drainerende wegconstructies aanbevelingen geformuleerd.

Vooreerst beperkt toepassing van een scheidend geotextiel in de structuur het risico op grondwaterverontreiniging door koolwaterstoffen (barrièrewerking tegen verontreinigende stoffen). Inbrenging van micro-organismen heeft een gunstig effect op de koolwaterstofgehalten van het percolaat zolang de verontreiniging niet boven de drempelwaarde van 3 l/m² komt. Gezien de ontwerplevensduur van de constructie (doorgaans twintig jaar) is de kans op overschrijding van deze drempelwaarde zeer klein.

Een andere preventieve maatregel zou kunnen zijn dat het oppervlak van de verharding geregeld besproeid wordt met een vloeistof waarin bacteriën zijn opgelost, om de zuiveringseffectiviteit in stand te houden. Ook dit biedt perspectieven voor aanvullend onderzoek. Inoculatie door besproeiing is immers een methode die gemakkelijk op een bouwplaats kan worden toegepast en is even effectief gebleken als vooromhulling van de aggregaten voor de straatlaag.

Deze maatregelen om bodem en grondwater te beschermen, zouden moeten worden aangevuld door een minimale hoogte van het baanbed boven de grondwaterspiegel voor te schrijven. De regels van goede praktijk bevelen momenteel een minimumhoogte van 1 m aan, maar wellicht dient een eiste worden gesteld die varieert met de doorlatendheid van de ondergrond.

In OCW Mededelingen 114 is een uitgebreid artikel over het onderwerp verschenen.

Dat steeds meer bodems ondoorlatend worden gemaakt, is een grote zorg. Niet alleen verarmt dit de bodems en de biodiversiteit, maar vergroot het ook het gevaar voor overstromingen. Waterdoorlatende verhardingen zijn een van de middelen die worden voorgesteld om deze ontwikkeling tegen te gaan. In België zijn verhardingen van waterdoorlatende betonstraatstenen ontwikkeld om aan deze behoefte tegemoet te komen. Zulke bestratingen dragen bij aan optimaal waterbeheer, doordat ze in staat zijn een groot deel van het hemelwater tijdelijk op te slaan. De drainerende structuur laat het opgeslagen water dan direct doorsijpelen naar de ondergrond en vervolgens naar het grondwater, of voert het vertraagd af naar het rioolstelsel.

DPOD en DPODRAIN

De projecten voor collectief onderzoek DPOD (RC 2011) en DPODRAIN (RC 2014) zijn verricht om cijfergegevens te verkrijgen over de risico’s die aan lozing van koolwaterstoffen op waterdoorlatende bestratingen verbonden zijn, en de invloed en relevantie van inbrenging van micro-organismen op/voor het zuiverende effect van wegconstructies met zulke bestratingen na te gaan. Het onderzoek betrof niet alleen de inbrenging van micro-organismen in de drainerende structuur (met poreuze betonstraatstenen), maar ook het effect van de toepassing van een geotextiel (al of niet met micro-organismen gecombineerd). De verschillende proeven vonden meestal plaats op structuren in cilindervormige proefopstellingen met een diameter van 40 tot 60 cm. Ook op een bestaande waterdoorlatende parking werd een proef uitgevoerd. Er konden verschillende combinaties worden vergeleken, door met regelmatige tussentijden een verontreinigende stof (diesel) over het verhardingsoppervlak uit te gieten. De twee onderzoeksprojecten sloten naadloos op elkaar aan. DPOD was meer gericht op validering van het principe van zuivering met en zonder bacteriën, terwijl DPODRAIN meer de duurzaamheid van het zuiveringsprincipe en de evaluatie van structuurvarianten (toepassing van geotextielen en verschillende materialen) beoogde.

DPODRAIN

Aanbevelingen

Op grond van de onderzoeksresultaten zijn voor de toepassing van drainerende wegconstructies aanbevelingen geformuleerd.

Vooreerst beperkt toepassing van een scheidend geotextiel in de structuur het risico op grondwaterverontreiniging door koolwaterstoffen (barrièrewerking tegen verontreinigende stoffen). Inbrenging van micro-organismen heeft een gunstig effect op de koolwaterstofgehalten van het percolaat zolang de verontreiniging niet boven de drempelwaarde van 3 l/m² komt. Gezien de ontwerplevensduur van de constructie (doorgaans twintig jaar) is de kans op overschrijding van deze drempelwaarde zeer klein.

Een andere preventieve maatregel zou kunnen zijn dat het oppervlak van de verharding geregeld besproeid wordt met een vloeistof waarin bacteriën zijn opgelost, om de zuiveringseffectiviteit in stand te houden. Ook dit biedt perspectieven voor aanvullend onderzoek. Inoculatie door besproeiing is immers een methode die gemakkelijk op een bouwplaats kan worden toegepast en is even effectief gebleken als vooromhulling van de aggregaten voor de straatlaag.

Deze maatregelen om bodem en grondwater te beschermen, zouden moeten worden aangevuld door een minimale hoogte van het baanbed boven de grondwaterspiegel voor te schrijven. De regels van goede praktijk bevelen momenteel een minimumhoogte van 1 m aan, maar wellicht dient een eiste worden gesteld die varieert met de doorlatendheid van de ondergrond.

In OCW Mededelingen 114 is een uitgebreid artikel over het onderwerp verschenen.