Meting van de oppervlakdoorlatendheid in situ: dubbele-ringproef

Met deze proef wordt de doorlatenheid van een waterdoorlatende structuur in situ bepaald. De apparatuur bestaat in hoofdzaak uit twee ringen (Ø. 50 et 70 cm), een continue watertoevoer en een automatisch systeem om de waterhoogte constant te houden.

De twee ringen worden op het te beproeven oppervlak geplaatst. Zij worden voor de duur van de proef “vastgekleefd”, om te voorkomen dat er water tussen de ringen en het oppervlak dringt. Voor dit vastkleven wordt klassieke mortel of een cementspecie gebruikt.

De proef begint met het vullen van de twee ringen. Daarbij wordt zowel in de binnenste als in de buitenste ring een constante waterhoogte aangehouden. Gedurende de hele proef wordt de uitlooptijd bepaald als de tijd die nodig is om de waterhoogte in de binnenste ring ± 1 mm te laten zakken (d.i. de tijd tussen het sluiten en het openen van de klep), gemeten en geregistreerd.

NB: de metingen vinden enkel in de binnenste ring plaats, waaruit het water verticaal wegstroomt. De buitenste ring dient enkel als “scherm”, om zijdelings wegstromen zoveel mogelijk te beperken.

De minimumduur van een proef is 30 min, om een volledige verzadiging van de structuur zoveel mogelijk te benaderen.

De infiltratiesnelheid of doorlatendheid (in m/s uitgedrukt) is gelijk aan de hoeveelheid water die per oppervlakte- en per tijdseenheid in de grond dringt.